Nieuws LILA - Literaire Ladder Het Utrechtgedicht Verleden Tijd Links Contact / Over SLAU SLAU op Facebook Blijf op de hoogte!
|
Lezing Hans Magnus Enzensberger (Nederlandse versi 20/06/2008
Hieronder treft u de integrale lezing aan die Hans Magnus Enzensberger op 14 december jl. hield in de Janskerk in Utrecht. De Belle van Zuylenlezing is een samenwerkingsverband tussen SLAU en Vrede van Utrecht.
Hans Magnus Enzensberger In het doolhof der intelligentie Een gids voor dwazen
Waarschijnlijk denkt elke menselijke samenleving na over de vraag welke eigenschappen zij als nastrevenswaardig beschouwt. De koers van die deugden schommelt. De moderne tijd heeft aan trouw, dapperheid, wijsheid en ridderlijkheid nooit bijzonder veel waarde gehecht. Als kardinale deugden gelden veeleer flexibiliteit, teamgeest en doorzettingsvermogen. Wie als tijdgenoot wil meetellen moet evenwel voor alles intelligent zijn. Merkwaardig is daarbij dat niemand eigenlijk precies weet wat intelligentie is. Natuurlijk heeft men altijd opnieuw geprobeerd dit onmisbare begrip met een stevige definitie in de handboeien te slaan. Dit is echter zoals iedereen weet een beproefd middel om elke discussie te saboteren. De strijd om de inhoud verandert in een handomdraai in een strijd om woorden. ‘Stel je niet zo aan’, krijgt de spelbreker te horen, ‘we weten toch allemaal wat ermee bedoeld wordt.’ Of: ‘Definities zijn onvruchtbaar.’ Dat doet denken aan de beroemde uitleg van de heilige Augustinus. Op de vraag wat ‘tijd’ is gaf hij het volgende antwoord: ‘Als niemand me ernaar vraagt, dan weet ik het. Als ik het echter aan een vragensteller wil uitleggen, dan weet ik het niet meer.’ Nu vergt die haarkloverij met woorden inderdaad enig geduld, maar zinloos is het allerminst. Want de begripsgeschiedenis van het woord intelligentie heeft allerlei verrassingen voor ons in petto. Hoe scherper we dit leenwoord onder de loep nemen, des te verrassender beantwoordt het onze blik. Het I-woord stamt zoals bekend uit het Latijn, maar de Romeinen hebben het, net als veel andere begrippen, vertaald uit het Grieks. De Grieken kunnen dus gelden als de eigenlijke uitvinders van de intelligentie. Bij hen betekent noos of nous al vrijwel alles wat in onze hoofden te vinden is: zin, bezinning, denkkracht, verstand, geest, overweging, inzicht, slimheid, aard, gemoed, hart, denkstijl, gezindheid, gedachte, mening, wens, wil, bedoeling, plan, raadsbesluit, besluit, betekenis, doel, bedoeling.’ Zo staat het in elk geval in mijn Griekse woordenboek. Ook het Latijnse woord intelligentia ligt erin besloten. Nog ruimer dan het Griekse woordveld kan deze aanduiding namelijk ook kennerschap, kunstinzicht en zelfs smaak betekenen. De latere carrière van het woord is rijk aan opvallende wendingen. In de Middeleeuwen hebben de theologen er een zeer verheven betekenis aan toegekend. De kerkleraren duidden er niet slechts een eigenschap van God mee aan: God is zelf de hoogste intelligentia. (Een zwakke echo van deze opvatting is de leer van de Intelligent Design die in onze dagen, vooral door Amerikaanse christenen, tegenover de evolutietheorie wordt gesteld.) Vanuit het vocabulaire van de geleerden is het woord later geleidelijk de volkstalen binnengewandeld. In het westen van Europa raakte de filosofische inhoud al snel verwaterd door meer profane betekenissen. Vooral in Engeland en Frankrijk heeft deze verandering tot eigenaardige ontwikkelingen geleid. Daar verstond men al in de zeventiende eeuw onder intelligence niet alleen een bepaalde vaardigheid of een persoon die over die vaardigheid beschikt, maar al snel ook een ‘geheime overeenkomst’ en vervolgens simpelweg een mededeling of een bericht. Dit woordgebruik heeft in het Engels tot op de dag van vandaag standgehouden. Zo valt de naam te verklaren die de Central Intelligence Agency, vulgo CIA, zich heeft toegeëigend, een dienst die zich, zoals men weet, zelden heeft onderscheiden door hogere inzichten. Als immigrant uit het westen is het I-woord slechts met aanzienlijke vertraging thuisgeraakt in het Duits. Een bewijs daarvoor is pas in 1801 te vinden in het Wörterbuch der Deutsche Sprache van Campe. Nog veel langer heeft het geduurd voor intelligentie een onderwerp van onderzoek is geworden. Het was de nieuwe wetenschap van de psychologie – een nakomertje van de filosofie en de theologie – die zich daarover ontfermd heeft. Sinds Wilhelm Wundt in 1879 in Leipzig het eerste instituut heeft gesticht dat op dit soort onderzoek gericht was, hebben de psychologen zich meester gemaakt van de definitiemacht over de vraag wat onder intelligentie verstaan dient te worden. In de gangbare betekenis gaat het bijgevolg om een uitvinding, zonder welke de mensheid honderdduizenden jaren lang heeft moeten aanmodderen. De vlijt van de psychologen heeft vanzelfsprekend ook de sociologie niet met rust gelaten, die erin geslaagd is een geheel nieuwe dimensie voor het I-woord te ontsluiten. Een beroepsgroep die vroeger wellicht werd aangeduid als geestesarbeiders heet sindsdien intelligentsia. [NB: Intelligenz betekent in het Duits zowel intelligentie als intelligentsia.] In dit geval hebben we te maken met een importproduct uit Rusland, een land waar de intelligentsia zoals bekend al sinds het midden van de negentiende eeuw bloeide. Ons moderne containerbegrip heeft dus het voordeel dat het bovenmatig ruim is en een grote veelheid aan betekenissen herbergt. Als iemand nog zou geloven dat de ene intelligentie gelijk staat met de andere, dan is dat een vergissing. De deskundigen was geen moeite teveel om enige ordening aan te brengen in de verwarring die heerst in onze hoofden. Zij maken, zoals hun aard is, een pijnlijk nauwkeurig onderscheid tussen biologische en psychometrische, motorische en rationele, analytische en creatieve, taalkundige en visuele, ruimtelijke en logisch-mathematische, kinesthetische en muzikale, pragmatische en mechanische, interpersoonlijke en intrapersoonlijke, kristalharde en vloeiende, functionele en manipulatieve intelligentie – en daarmee zijn nog niet eens alle soorten opgesomd die onder dezelfde noemer worden ondergebracht. Het peloton wordt in deze wedstrijd aangevoerd door de Amerikaanse psycholoog J.P. Guilford, die het in zijn werk The Nature of Human Intelligence tot zegge eenhonderd en twintig variëteiten weet te brengen. Maar ook zijn lijst is allesbehalve volledig. Voortdurend worden namelijk nieuwe soorten ontdekt. Bijzonder waardevol zijn in de laatste decennia de sociale en de emotionele intelligentie gebleken, terwijl de leiderschapsintelligentie en de succesintelligentie tot nu toe weinig academisch aanzien genieten, maar veeleer in de wereld van de management consultants floreren. Wellicht zouden we, in plaats van rond te dolen door het labyrinth van de deskundigen, onze inlichtingen en raadgevingen uit een andere bron moeten putten, een bron die ieder van ons ter beschikking staat. En dat is de taal. In de taal zijn ervaringen uit lange tijdsperioden gesedimenteerd. Wetenschappelijke methoden heeft een dergelijke werkwijze echter niet te bieden.
Laten we de mensen eens recht in hun smoel kijken. Laten we de klep van die intelligentiecontainer eens op een kier zetten om de gevangenen te bevrijden. Als eerste komt de vindingrijke zich voorstellen, begeleid door zijn kleine broertje de verstandige, die weer gevolgd wordt door de schrandere, de snuggere, de pientere en de gisse. Het ligt voor de hand dat het hier niet om synoniemen gaat. In de eindeloze processie die volgt, zijn wel wat overeenkomsten waar te nemen, maar eeneiige tweelingen zijn er nauwelijks bij. Terwijl de ene namelijk sprankelend van vernuft voor de dag komt, laat de andere zich eerder kennen als een wijze. Verder betreden het toneel: de veelzijdige, de alzijdige en de omzichtige, de weldenkende, de hoogbegaafde, de scherpzinnige, de fijnzinnige en de diepzinnige. Ook de tegenwoordige van geest mag niet ontbreken. Het zou fataal zijn de bedachtzame met de gewiekste te verwisselen, of de begaafde met de geniale. Bescheidener treedt te voorschijn wie slechts vlug van begrip is, over een goede aanleg beschikt of heel wat in zijn mars heeft. Niet elke ingezetene van de container mag rekenen op het onvoorwaardelijke respect van zijn medemensen. De bewondering voor de scherpslijper en voor de haarklover blijft beslist binnen de perken. Wat de sluwe vos en de slinkse linkmiegel betreft, de betweter en de beterweter, men treedt ze tegemoet met minzame ironie. Wie zich laat kennen als een slimmerik of een listigaard, als een geslepen leperd of goocheme gladjakker, wordt begroet met argwaan. Op dit gebied is de concurrentie erg groot, en het is niet altijd even gemakkelijk om uit te maken wie het gewoon vreselijk achter de ellebogen heeft, wie uitgekookt, aartslistig en doortrapt is geworden, en daarbij ook nog mag gelden als gehaaid, geslepen en gemeen. Supergeesten, reuzen van de geest, bollebozen en betweterige braniebreinen worden zelfs met hoon overladen. Op volledigheid kan deze passagierslijst van de container-ingezetenen uiteraard geen enkele aanspraak maken. Uit de lijst blijkt wel dat wie één enkel paraplubegrip gebruikt voor alles wat zich afspeelt onder het schedeldak, het zichzelf veel te gemakkelijk maakt. Nog vruchtbaarder is het om de proef op de som te nemen. De vraag wie het I-predikaat niet verdient, laat een enorm aantal antwoorden toe. Juist uit deze tegenvraag blijkt de rijkdom van wat men vroeger de gaven van de menselijke geest noemde. Wanneer we niet spreken over intelligentie, maar over het ontbreken daarvan, opent zich een uitgestrekte en weelderig begroeide akker. Ook voor de domheid bestaat er namelijk niet één enkel woord dat recht kan doen aan veelheid van de verschijnselen. In plaats van alle subtiele onderscheidingen aan te brengen, waar dit onderwerp eigenlijk recht op heeft, moeten we ons hier tevreden stellen met een bescheiden lijstje van de beschikbare bouwstoffen: Onbegaafd; minderbegaafd; zwakhoofdig; aartsdom; oliedom; indom; overdom; ezelsdom; talentloos; hersenloos; breinloos; geestloos; wezenloos; sulachtig; sullig; lijp; stompzinnig; bekrompen; geborneerd; bezopen; van lotje getikt; oenig; oetelig; krankjorum; beperkt; halzerig; eendachtig; stumperachtig; loborig; beotisch; halfgaar; ontoerekeningsvatbaar; onnozel; dwaas; gek; zot; stupide; besnuffeld; idioot; imbeciel; zwakzinnig; debiel. Daarnaast kunnen we nog teruggrijpen op een enorm repertoire van spreekwoorden en zegswijzen: Hij heeft een verstand als een garnaal; heeft het buskruit niet uitgevonden; kan niet tot drie tellen; is niet helemaal lekker; heeft een leeg hoofd; een piepklein rugzakje; weet van pomp nog pompstok; weet van dag noch datum; weet van hot noch haar; het zit er niet diep; het zit er bij hem niet aan; hij is te stom om voor de duvel te dansen; hij is een achterlijke gladiool; hij is geen licht; geen hoogvlieger; geen held; hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is; er is een steekje aan hem los; een schroefje aan hem los; hij heeft ze niet allemaal op een rijtje; heeft een tik van de molen gehad; het schort hem in de kruin; hij is geen heksenmeester; ziet door de bomen het bos niet; kan niet over de kerkmuren heen zien; hij is mesjoche; gaga; kierewiet.
Ook aan passende zelfstandige naamwoorden is geen gebrek. Deze of gene staat bekend als: Domkop; stomkop; sufkop; aarstdomkop; kalfskop; schapenkop; hazenkop; ezelskop; sul; jandoedel; janhen; jangat; jansul; hals; hannes; domoor; dommerik; stumper; sukkel; klotenklapper; klojo; slokkerd; lijp; babok; beotiër; stoethaspel; minkukel; uilskop; uilskuiken; ganzengat; stomme hond; onnozel schaap; bok, geit; domme koe; ezelsveulen; aartsezel;
Drie dingen vallen op aan deze lijst. Ten eerste is het vocabulaire dat ons voor het weergeven van tekortkomingen en gebreken ter beschikking staat veel rijker dan dat voor het beschrijven van onze voordelige eigenschappen. Ook die mogen nochtans rekenen op kritiek, op enig voorbehoud, waarbij nijd en spijt eveneens een rol spelen. Maar daar waar het over de domheid gaat, is de toon altijd beledigend. Ten tweede lijkt het de meeste mensen, die uitdrukking willen geven aan hun ergernis en verachting over de domkoppen, zwaar te vallen om onderscheid te maken tussen het dagelijkse leven en de kliniek. Het gangbare spraakgebruik neigt ertoe domheid en ziekte op één hoop te gooien. Het blijft onduidelijk of iemand die ‘ze niet allemaal op een rijtje heeft’ simpelweg niet zo slim is, of behoefte heeft aan psychiatrische begeleiding. Doorgaans worden de vaak zeer aanzienlijke geestelijke vaardigheden van schizofrene en autistische patiënten niet onderkend. Hoewel zulke mensen vaak slechts een IQ van vijftig scoren, verrichten velen van hen sensationele prestaties. Dit fenomeen heeft zelfs een wetenschappelijke term gekregen: het ‘savant syndroom’. Een idiot savant is bijvoorbeeld in staat om meteen te zeggen of een enorm getal een priemgetal is, of speelt moeiteloos een sonate na die hij of zij slechts éénmaal heeft gehoord. De psychologen staan voor een raadsel. Het derde punt wat tot nadenken stemt is de hardnekkigheid waarmee alle mogelijke dieren in de vergelijking worden betrokken. Het is alsof de evolutie buiten onszelf slechts betreurenswaardige misbaksels heeft voortgebracht. Vreemd toch dat de vierduizend jaar dat we nu samenleven met hond, schaap, rund, geit, paard en andere gezellen, de mensheid geen beter inzicht heeft gebracht, om nog maar te zwijgen van onze meest nabije verwanten, de primaten. Het zijn niet alleen de dieren die dichtbij ons staan die indrukwekkende prestaties leveren. Wie zich met een plattegrond in de hand probeert te oriënteren, maakt een wat hulpeloze indruk vergeleken met de eerste de beste zwaluw. Dat minuscule vogelbrein bevat een fantastisch effectief navigatiesysteem, met behulp waarvan het dier feilloos zijn weg weet te vinden over gigantische afstanden. Zelfs de bescheiden kamervlieg is in staat om steeds weer te ontsnappen aan de geïrriteerde jager met zijn vliegenmepper, want dit dier beschikt over een benijdenswaardig coördinatiesysteem en een grandioos reactievermogen, waar wij niets tegenover kunnen stellen. Woestijnmieren weten na het vangen van hun prooi binnen luttele seconden de weg terug te vinden naar hun nest met behulp van geometrische patronen aan de hemel, die in de loop van de dag van structuur en positie veranderen, maar voor ons mensen onzichtbaar blijven. Ook al stemmen deze vaardigheden slechts ten dele overeen met dat wat wij met het I-woord trachten te beschrijven, dan nog verdienen ze eerder onze bewondering dan onze geringschatting.
Toen betraden de eerste dirigenten van de meetbaarheid het podium. Alfred Binet, een heer met een indrukwekkende snor en bakkebaarden, een lorgnet en een gesteven frontje, was een mensenvriend. Hij werd geboren in Nice en studeerde eerst rechten, maar had geen zin om de rest van zijn leven door te brengen in een juryrechtbank of een advocatenkantoor. Hij richtte zich op de nieuwe wetenschap der neurologie, en ging studeren bij Charcot aan de Salpétrière, waar hij betrokken was bij diens experimenten met hypnose. Tot zijn spijt bleek deze therapie discutabel, en hij nam afscheid van zijn leermeester. We moeten eerder beginnen, dacht hij, bij de kinderen. Het feit dat hij twee dochters had, sterkte hem in deze overtuiging. Toen in 1889 aan de Sorbonne een laboratorium voor psychofysiologie werd gesticht, was ook Binet van de partij. Een paar jaar later werd hij benoemd tot directeur van dit Instituut. Een verlichte Franse regering was het inmiddels opgevallen dat er kinderen waren die met de zegeningen van de algemene leerplicht niets konden aanvangen. Zij stelde een commissie van deskundigen in om te onderzoeken waar dat aan lag, hoe zulke kinderen bijtijds opgespoord en verder geholpen konden worden. Voor deze opgave gesteld, hadden Binet en zijn collega Theodore Simon een idee dat succesvol zou blijken. Als goede positivisten besloten ze iets te gaan meten dat voor die tijd nog nooit in cijfers was uitgedrukt: de intelligentie. Daartoe vonden ze een serie opgaven uit, waarvan ze aannamen dat die overeenstemden met de vaardigheden van kinderen van een bepaalde leeftijd. Ze pleegden overleg met ervaren leraren en vroegen hen leerlingen uit te kiezen die volgens hen van gemiddeld niveau waren. Vijftig van zulke kinderen, tien uit elke van de vijf leeftijdsgroepen, deden dienst als proefpersonen. Kan een kind een brandend luciferstokje met de ogen volgen? Is het kind in staat de keurmeester een hand te geven? Zelfs zwaar gehandicapte kinderen waren in staat deze opgaven tot een goed eind te brengen. Wijs je knie aan, je neus, je ellebogen! Herhaal de volgende drie getallen!Vertel me wat een lepel is, een deur, een zusje! Enzovoort. Kun je een zin maken waar de woorden geld, water en alsjeblieft in voorkomen? De moeilijkste test eindigde met de vraag of het kind drie woorden kon verzinnen die rijmen op het woord ‘kolen’ of de oplossing wist voor het volgende raadseltje: ‘Mijn buurvrouw heeft onlangs vreemd bezoek gekregen. Eerst kwam er een arts, toen een notaris en vervolgens een priester. Wat was daar gebeurd?’ De beide uitvinders deelden de kinderen al naar gelang hun antwoorden in op een schaal, die geacht werd aan te geven welke fase van ontwikkeling ze hadden bereikt. Als een zesjarige alle opgaven goed had beantwoord, dan stemden zijn vaardigheden overeen met de chronologische leeftijd, en kreeg hij het cijfer 6,0. Een leeftijdgenootje dat dit niet voor elkaar had gekregen, moest zich tevredenstellen met een ‘intelligentieleeftijd’ van 5,1 of 4,4 en werd zo kandidaat voor bijzonder onderwijs. Binet was beslist geen dogmaticus in de wetenschap. Hij koesterde geen almachtsfantasieën; hij wilde zich slechts nuttig maken. Zijn test heeft hij geregeld bijgesteld. Overigens heeft hij steeds geweigerd het puntenaantal dat hij een kind toekende te interpreteren als een maat voor intelligentie. Hij was van mening dat die gave zich niet met één enkel cijfer liet weergeven. ‘De schaal’, zo stelde hij, ‘staat eerlijk gezegd niet toe de intelligentie te meten, aangezien intellectuele eigenschappen niet kunnen worden opgeteld en dus niet gemeten kunnen worden zoals lineaire oppervlakken.’ Daar dachten zijn navolgers heel anders over. Aan de Duitse psycholoog William Stern die in 1912 het begrip intelligentiequotiënt heeft gemunt, was Binets twijfel geheel vreemd. Om het intelligentiequotiënt te berekenen, diende men, volgens zijn formule, de ‘intelligentieleeftijd’ van een kind te delen door de werkelijke leeftijd en de uitkomst te vermenigvuldigen met honderd. Als je deze waarde uitzet op een schaal met een gemiddelde waarde van honderd, kun je de rekenmethode ook uitbreiden op volwassenen, mits je uitgaat van een standaard normaalverdeling en een zekere standaardafwijking bepaalt. Deze methode heeft vrij snel algemeen ingang gevonden. Op grote schaal werden intelligentietests voor het eerst ingezet tijdens de Eerste Wereldoorlog en wel door het Amerikaanse leger. Waar kan de rekruut het best worden ingedeeld? Wie is een geschikte kandidaat voor de officiersopleiding? Eén komma driekwart miljoen dienstplichtigen moeten destijds op deze wijze zijn geselecteerd. De academische deskundigen konden zich onderwijl wijden aan de verfijning van hun methoden. Dat het daarbij tot onenigheden kwam die tot op de dag van vandaag voortwoeden, zal geen kenner van dit milieu verbazen. Toen ook de statistici zich ermee gingen bemoeien, om de zaak met wiskundige precisie tot klaarheid te brengen, raakte de arme Binot hopeloos verzeild in de achterhoede. Uiteindelijk vond een in Stanford ontwikkelde test algemeen ingang – een test die heel geregeld is bijgesteld en nog steeds wordt gebruikt. De deskundigen gingen bij hun geknutsel en gepriegel te werk met verfijnde methodieken. Ze gebruikten alles wat de gereedschapskist van de statistiek te bieden had: factoranalyse, intervalschalen, matrixoperaties, restvarianten, niet-parametrische correlaties, en andere schone zaken, waarmee heel intelligente mensen zich heel graag bezighouden.
We waken ervoor door te dringen in deze hogere sferen. Liever wenden wij ons tot een bescheiden basishandleiding, die ons wellicht vertrouwd kan maken met de praktijk van de intelligentiemeting. Het gaat om het werkje van een vakman die zich niet alleen als havik heeft gemanifesteerd, maar ook als bestsellerauteur. Hij heet Hans Jürgen Eysenck, doceerde aan de universiteit van Londen, en geldt als een van de prominente vertegenwoordigers van de experimentele en natuurwetenschappelijk georiënteerde psychologie. Zijn intelligentietest stamt weliswaar uit het jaar 1962, maar wordt over de hele wereld nog steeds miljoenen malen gebruikt. Hoewel de auteur in 1997 is overleden, is een van zijn boeken nog steeds in elke goede boekhandel te verkrijgen, en wordt het boek geregeld geraadpleegd. Het gaat om een gebruiksaanwijzing, met behulp waarvan de lezer kan vaststellen hoe het naar het oordeel van Hans Jürgen Eysenck gesteld is met zijn geestelijke vermogens. Bij een eerste blik op de acht tests zijn het vooral de illustraties die de aandacht trekken. Naast een groot aantal geometrische figuren, allerlei cirkels, pijltjes, driehoeken, vierkantjes, sterretjes en spiralen, wemelt het boek werkelijk van de poppetjes. Mensen komen in het boek alleen in deze vorm voor. Het is alsof een kleuterleidster geprobeerd heeft een opvallend infantiele vijfjarige te imiteren. De anonieme tekenaar diende zich daarbij ongetwijfeld te houden aan de instructies van de auteur – als het al niet de hooggeleerde in eigen persoon is geweest die ze heeft vervaardigd. Vooral de gezichtjes zijn bijzonder stupide uitgevallen, ze volgen met cirkelvormige precisie het volgende schema: punt, punt, komma, streep, en klaar is Kees. Onder de voorwerpen waar de proefpersoon zich mee bezig dient te houden domineren raketten, auto’s, locomotieven, fabrieken en vliegtuigen. Ook deze zijn afgebeeld alsof ze het werk zijn van een denkbeeldige krabbelaar. Overigens krijgen we alleen modellen te zien die uitsluitend nog in musea te vinden zijn. Wellicht is dat een herinnering aan de jaren na de Eerste Wereldoorlog, toen de jonge onderzoeker nog met zijn blikken autootjes speelde. Alledaagse gebruiksvoorwerpen als lepels, schoenen of tandenborstels, ontbreken volledig. De tests veronderstellen een flinke lading typische schoolweetjes. Wie niet weet wat een priemgetal is en een palimpsest niet van een palindroom kan onderscheiden, is kansloos. Om niet door de mand te vallen moet de proefpersoon de namen van alle planeten kennen en goed onderlegd zijn in het opsommen van hoofdsteden. Ook automerken behoren tot het minimum aan algemene ontwikkeling dat nodig is om te slagen voor de test, evenals een enorme lijst van beroemde schrijvers, componisten, schilders, filmsterren en generaals. Wat dat allemaal met intelligentie te maken heeft is een geheim dat wel alleen bij de opsteller van de test bekend zal zijn geweest. Bovendien worden ook doorlopend vaardigheden getest waarin men zich het best kan oefenen in de puzzelhoekjes van veel weekbladen. In die geliefde rubrieken gaat het echter niet om het meten van een IQ, maar om een onschuldig vermaak, dat onder het kopje ‘Denksport’ of ‘Breinbrekertjes’ valt. Een gemeenschappelijk kenmerk van alle raadselopgaven in de test is dat er doorgaans maar één enkel goed antwoord mogelijk is. Dat is eigenlijk heel merkwaardig, want in de werkelijke wereld is dit soort situaties juist de uitzondering. Ongeacht om wat voor beslissing het gaat – een sollicitatie, een verkiezingscampagne, een echtscheiding, een huurcontract – we hebben steeds te maken met talrijke variabelen, die daarbij ook nog onderling van elkaar afhangen. Ze zijn, om het in één woord te zeggen: complex. Wie een dergelijk vraagstuk moet oplossen krijgt bovendien niet, zoals in deze tests wel het geval is, alle relevante informatie kant en klaar bijgeleverd. Het verzamelen en tegen elkaar afwegen van die informatie is immers juist een deel van het desbetreffende vraagstuk. Zelfs het te bereiken resultaat ligt van te voren niet onwrikbaar vast, meestal is namelijk sprake van conflicterende doelstellingen, die tegen elkaar moeten worden afgewogen. Tot slot hebben complexe scenario’s ook een dimensie van tijd, die in de tests niet aan de orde komt, want elk besluit dat wij nemen heeft consequenties in de toekomst die in de overwegingen betrokken dienen te worden. Van zulke resultaten kunnen we nauwelijks verwachten dat elke domkop ze zal weten te behalen. Dat alles komt bij Eysenck niet ter sprake. Des te nauwkeuriger je zijn werk bestudeert, des te dwingender dringt zich de conclusie op dat we hier te maken hebben met een onvrijwillig zelfportret van de auteur. Overduidelijk is dat we met een voorbeeldige leerling van doen hebben, die altijd heel goed heeft opgelet tijdens de lessen in wiskunde en geografie. Helaas betalen we voor deze bewonderenswaardige vlijt en voor deze superieure rapportcijfers een prijs: een extreem gekrompen waarnemingsvermogen, een gestoorde verhouding tot schoonheid, en een soort wereldvreemdheid, waaraan elke relatie tot het dagelijkse leven ontbreekt. Voor politiek of voor welke maatschappelijke werkelijkheid dan ook, brengt de ideale proefpersoon geen enkele interesse op. Die proefpersoon is gespecialiseerd in het slagen voor gespecialiseerde tests, vooral tests die hij zelf heeft ontwikkeld. De auteur ziet hierin ook het voornaamste criterium voor succes. ‘Als vuistregel geldt’, zo deelt hij ambitieuze ouders mee, ‘dat kinderen die naar een middelbare school willen, een IQ van 115 moeten hebben, voor het volgen van een universiteit is minstens 125 nodig. Om een examen met grote onderscheiding te halen moet een student een IQ van minstens 135 hebben.’ Wie het er bij professor Eysenck goed vanaf brengt, heeft trouwens goede maatschappelijke vooruitzichten: ‘In andere studies is de correlatie tussen IQ en inkomen onderzocht en ook hier bleek een rechtstreeks verband te bestaan tussen intelligentie en succes.’ Hoewel met betreurenswaardige uitzonderingen: ‘Want er bestaan enkele beroepsgroepen met hoog IQ, zoals bijvoorbeeld leraren en professoren, van wie de diensten door de maatschappij niet op passende wijze worden beloond.’ Als goed pragmaticus beroept Eysenck zich erop dat zijn test ‘in de praktijk zeer succesvol is’ en hij verwijst in dit verband naar de thermometer. Toen die werd uitgevonden, was er namelijk nog geen uitgewerkte warmteleer, en toch heeft het instrument zijn bruikbaarheid bewezen. Zoveel bescheidenheid moest bij zijn vele critici wel achterdocht wekken. Bij het publiek heeft Eysenck met zijn test veel weerklank gevonden. Velen onderwerpen zich vrijwillig aan het examen van een strenge en streng wetenschappelijke deskundige, vooral wanneer twijfel aan eigen voortreffelijkheid aan hen knaagt. Des te verheffender is het dan wanneer het magische quotiënt de honderd overstijgt. Men kan zichzelf dan met enig recht tot een elite rekenen en men kan trachten te worden toegelaten tot een club die als thuishonk voor zulke uitzonderlijke figuren dient. Die club heet Mensa International en verwelkomt iedereen die een quotiënt heeft dat hoger is dan dat van de overige 98% van de bevolking. De criteria voor toelating zijn meedogenloos. Elk aspirant lid moet een door de organisatie goedgekeurde standaardtest maken, te verkrijgen bij de dichtstbijzijnde vestiging. Ook tests die op een school zijn afgelegd kunnen worden geaccepteerd, mits men een afschrift verstrekt dat gewaarmerkt is met het stempel van de school. In noodgeval kan men zich wenden tot een geregistreerd psycholoog; diens verklaring dient te zijn opgesteld op zijn eigen briefpapier, eigenhandig te zijn ondertekend, voorzien van zijn licentie- of registratienummer, en notarieel geoormerkt. Een al te grote toeloop is vanwege deze strenge procedure niet te vrezen, hoewel de club naar eigen zeggen rond de honderdduizend leden ingeschreven heeft staan. Dat ligt misschien aan het wantrouwen dat veel mensen koesteren jegens reuzen van de geest. Maar misschien hebben ze ook werkelijk geen zin om zich vrijwillig aan een dergelijke test te onderwerpen? In dat geval duiken ze in de desbetreffende statistieken natuurlijk gewoon niet op. Daar waar de proefpersonen subtiel onder druk worden gezet, zoals op veel scholen en in veel klinieken, grijpt dit soort mensen vaak terug op een methode die sinds mensenheugenis uiterst effectief blijkt te zijn: zij houden zich van den domme – een beproefde methode om elke tester tot wanhoop te drijven. Narren – en niet alleen hofnarren – hebben altijd al naar dit middel gegrepen, dat uiteraard tegenwoordigheid van geest en raffinement vereist. Het klassieke voorbeeld voor deze handelwijze, die met wetenschappelijke middelen moeilijk vast te pinnen is, komt natuurlijk van Jaroslav Hasek, met zijn klassieke boek De avonturen van de brave soldaat Schweijk tijdens de wereldoorlog. Ook het genie Karl Valentin heeft elke poging zijn intelligentie aan een test te onderwerpen, moeiteloos schaakmat gezet.
Maar ook de allersimpelste vragen die normale mensen zich stellen, stuiten bij veel geleerden op bevreemding of radeloosheid. Wat is gezond verstand? Creativiteit? Inspiratie? Empathie? Naïviteit? Intuïtie? En hoe moet je zoiets meten? Dat zijn inderdaad heel nijpende vragen, waar een fatsoenlijke IQ-tester liever niet op ingaat. Professionele critici hebben van begin af aan wel met scherp geschoten. Ze gingen verder dan het onder vuur nemen van de methodologische gebreken van deze of gene test. Pionier Binet betwijfelde al of intelligentie wel meetbaar was. Niemand heeft deze bedenkingen grondiger geformuleerd dan Stephen Jay Gould, de briljante bioloog en evolutieonderzoeker uit Harvard, en wel in zijn boek De mens gemeten. Hij neemt de psychologen op de korrel vanwege twee wezenlijke drogredenen in hun testmethoden. Allereerst, het concretiseren van abstracte grootheden als het IQ of de g genoemde ‘algemene intelligentiefactor’. Volgens Gould is het op geen enkele manier mogelijk om intelligentie te kwantificeren als een compact en strak omschreven verschijnsel. Daarom is het onmogelijk een meetresultaat vast te stellen dat bruikbaar is om een individu goed of af te keuren. Ten tweede richt Gould zijn pijlen op het idee dat complexe fenomenen meetbaar zijn op een ééndimensionale schaal en zich er dus toe lenen om in een éénduidige reeks te worden geplaatst, zoals de stand van een voetbalclub op de ranglijst op grond van wedstrijdpunten en doelsaldo. Bij een verschijnsel als intelligentie, dat van nature meer dimensies heeft, schieten dit soort indelingen noodzakelijkerwijs tekort. Met andere woorden, de meetresultaten van een IQ-test zijn niets meer dan statistische artefacten. Dat geldt vooral voor de zogenaamde factoranalyse, waar alle gangbare tests gebruik van maken. De kardinale fout daarvan is, zo stelt Gould, dat factoranalyse leidt tot het door elkaar halen van oorzaken en correlaties. Zo komt Gould bijvoorbeeld tot de niet erg verrassende vaststelling dat zijn leeftijd elk jaar toeneemt. Tegelijkertijd stijgt bijvoorbeeld ook de prijs van Emmentaler kaas, groeit het inwoneraantal van Mexico en neemt de gemiddelde afstand tussen de sterrenstelsels toe. Tussen deze verschillende grootheden laat zich dan een sterke positieve correlatie vaststellen. Dat betekent echter natuurlijk niet dat Gould ouder wordt omdat de prijs van Zwitserse kaas aan het stijgen is. Op de wetenschappers had de frontale aanval van Gould het effect van een enorme knuppel in een hoenderhok. Veel psychologen reageerden woedend, Hans Eysenck voorop: ‘Gould doet een schaamteloze aanval op de reputatie van wetenschappelijke coryfeeën, met wie hij het niet eens is. Die aanvallen missen elke feitelijke grond.’ Daarmee heeft hij Goulds argumenten echter niet tot zwijgen gebracht, ze keren terug in talrijke nieuwe publicaties.
Zonder twijfel hebben deze controverses ook een ideologische achtergrond. Gould heeft zich namelijk niet beperkt tot kentheoretische bezwaren, maar ook de politieke en sociale problemen van het meten van intelligentie aan de orde gesteld. De propagandisten van het IQ waren daarmee niet erg verguld, want ook de allereerste pioniers van het intelligentieonderzoek hadden al moeten worstelen met deze bezwaren. Amper waren ze begonnen hun medemensen te meten, dreigde de befaamde slangenkop al weer op te doemen: het eeuwige debat over de mate waarin onze eigenschappen zijn bepaald door genen of omgeving: nature versus nurture. Lang voordat de zachtmoedige Binet zijn eerste test ontwierp, had een Engelse geleerde, Francis Galton genaamd, de stambomen van zijn beroemde landgenoten al onderzocht. Hij wilde bewijzen dat de intelligentie van deze mannen geen gave was die ze zelf hadden verworven, maar genetisch was bepaald. Het resultaat van zijn onderzoek publiceerde hij in 1869 in zijn boek Hereditary Genius. Zijn methode was simpel: ‘Tel alles wat je tellen kunt.’ Galton interesseerde zich niet alleen voor intelligentie, hij probeerde ook andere dingen te meten, bijvoorbeeld de effectiviteit van gebeden, het gezichtsvermogen, de schedelinhoud en de verschillende stadia van verveling. Tienduizend proefpersonen moeten aan zijn experimenten hebben meegedaan. Helaas heeft hij het daarbij niet gelaten. Galtons roem bij het nageslacht berust er namelijk vooral op dat hij de uitvinder is van het begrip eugenetica. In 1883 stelde hij voor om huwelijken en geboorten zo te reglementeren dat alleen die mensen zich konden voortplanten, wier erfelijke eigenschappen boven elke twijfel verheven waren. Op deze wijze wilde hij een menselijk ras telen ‘dat op geestelijk en moreel gebied even superieur zou zijn aan de hedendaagse Europeanen als de hedendaagse Europeanen superieur zijn aan het laagste negerras’. Dat bleef niet zonder gevolgen. Al in het pionierstijdvak heeft de psychometrie vriendschappelijke banden aangeknoopt met de eugenetica. De stichters ervan zagen in deze leer, evenals Sir Francis, een mogelijkheid de mensheid te verbeteren. Een zekere H.H. Goddard heeft de test van Binet al lang voor de Eerste Wereldoorlog vertaald en uitgeprobeerd op zijn school in New Jersey. Evenals zijn medestrijders Terman en Brighan beschouwde hij de zo gemeten intelligentie als een vaststaand en aangeboren gegeven. Hij maakte een onderscheid tussen normale mensen, zwakbegaafden en dementen. Misdadigers, prostituees en alcoholisten deelde hij in onder het kopje morons en hij stelde voor deze mensen onder te brengen in instellingen waar hun seksuele driften onder controle gebracht konden worden. Op deze wijze zou deze bevolkingsgroep zich niet meer voortplanten. ‘Kunnen de feiten, die wij hebben vastgesteld, daartoe worden aangewend? Dat is de vraag al niet meer. We wachten nog slechts op de Human Engineer, die dit werk op zich neemt.’ Goddard kreeg ook invloed op het immigratiebeleid. Hij geloofde met behulp van zijn tests te hebben vastgesteld dat alle immigranten, met uitzondering van degenen die uit Noord-Europa afkomstig waren, ‘een verbluffend lage intelligentie’ lieten zien. Van de uit Rusland afkomstige volksverhuizers classificeerde hij 87% als morons, maar ook joden en Italianen kwamen er bij hem slecht vanaf. Op grond van zijn onderzoeksresultaten werden al in 1913 en 1914 vele immigranten gedeporteerd. Het was onder invloed van de psychometrie dat het Amerikaanse Congres in de jaren twintig besloot het quotum voor immigranten te verlagen. De aanhangers van de zuivere erfelijkheidstheorie zijn sindsdien geenszins uitgestorven. Bijzonder ver heeft onze lievelingsauteur Eysenck in die richting uit het raam geleund. Met zijn boek The IQ Argument: Race, Intelligence and Education, wilde hij bewijzen dat het IQ van de zwarte Amerikanen over het algemeen lager is dan dat van de witte bevolking. Hun intellectuele inferioriteit zou aangeboren zijn, zoals trouwens het genetische aandeel bij de geestelijke gaven van een mens veruit het zwaarst zou wegen. Eysenck kan het genetische aandeel zelfs nauwkeurig becijferen: ‘Tachtig procent erfelijke factoren, twintig procent individueel onderscheiden (specifieke) omgevingsfactoren’. Natuurlijk raken zulke beweringen een politiek uiterst gevoelige zenuw. Dat bleek heel duidelijk toen twee andere auteurs, Richard J. Hernnstein en Charles Murray anno 1994 hun onderzoek The Bell Curve in de openbaarheid brachten. (De titel slaat op de normale verdeling van Gauss, die af te beelden is met een klokvormige kromme.) Hoewel het een stevige 845 bladzijden telt en niet eenvoudig te lezen is, werd het boek direct een bestseller, alleen al de gebonden uitgave vond zijn weg naar meer dan een half miljoen kopers. De reden voor dit sensationele succes is glashelder: de auteurs hebben de bon ton op diverse punten met voeten getreden. En niet alleen omdat ze de testresultaten overwegend herleidden tot genetische factoren. Nog meer ophef veroorzaakte hun poging de uitkomsten van het onderzoek te correleren aan maatschappelijke klassen. Ongehuwde moeders, mannen met een strafblad, bijstandsmoeders, arme mensen in het algemeen: volgens Hernnstein en Murray zitten ze allemaal in de achterhoede als het gaat om dat magische cijfer van het IQ. Daaruit trekken de auteurs de conclusie dat men het krijgen van kinderen door vrouwen aan de onderkant van de ‘intelligentieschaal’ en de inkomensschaal niet meer zoals tot dan toe zou moeten ondersteunen, een aanbeveling die de Amerikaanse regering een paar jaar later ook heeft opgevolgd. Het allerkwalijkste was echter dat Hernnstein en Murray, net als eerder stoethaspel Eysenck, beweerden dat het IQ van zwarten over het algemeen achterbleef bij dat van blanken. Het doorbreken van dat taboe voerde tot een verbitterd publiek debat. Het verwijt van racisme kon niet uitblijven. Hele boeken werden geschreven om de stellingen van de auteurs te weerleggen of te verdedigen. Hernnstein en Murray hebben er nochtans voor gewaakt om terug te grijpen op de recepten van de eugenetica. Eén ding staat echter onweerlegbaar vast: de gangbare tests zijn uitstekend geschikt als sociale selectiemechanismen, precies zoals het Amerikaanse leger deed tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Amerikaanse rechtspleging heeft het gebruik van die tests daarom sterk beperkt. Sinds 1971 is het voor scholen en voor ondernemingen strikt verboden bij het toewijzen van studie- of arbeidsplaatsen gebruik te maken van IQ-tests.
Bij al deze debatten speelt een heel andere, misschien nog veel wezenlijker tekortkoming van de intelligentiemeting de rol van Assepoester. Dat wordt heel duidelijk door simpelweg het perspectief om te keren. Laten we uitgaan van de volgende testomstandigheden. Een willekeurige wetenschappelijke onderzoeker van intelligentietests uit Stanford, Londen, Berlijn, wordt geconfronteerd met een van de volgende personen die zijn intelligentie moeten gaan inschatten: a) een Inuit uit Groenland b) een Indiaan uit het Amazonebekken c) een schipper uit Polynesië
Er is weinig fantasie voor nodig om te raden hoe een dergelijke test zou uitvallen. Onze onderzoeker zou hopeloos tekortschieten. Waarschijnlijk zou hij zich er al aan ergeren dat de test werd afgenomen door analfabeten. Wanneer hem duidelijk zou worden dat zijn geestelijke vaardigheden zouden worden getest door vast te stellen of ze toereikend waren om zeehondensporen te volgen, onderscheid te maken tussen duizenden soorten planten, of stromingen in de diepte af te leiden uit subtiele details van het zeeoppervlak – dan zou onze onderzoeker volledig over de rooie gaan. Het zou een eclatante blamage worden. Van tijd tot tijd bekroop de intelligentieonderzoekers een flauw vermoeden van de doorslaggevende betekenis van culturele verschillen. Dat overkwam bijvoorbeeld John C. Raven, die in 1956 poogde meetfouten te vermijden die het gevolg waren van taal- en cultuurverschillen en daartoe een zogenaamde matrixtest ontwierp. Zijn poging was evenwel, zoals alle andere pogingen in die richting, niet succesvol. ‘Vermoedelijk’, zeggen de meeste auteurs, die zich met deze problematiek hebben bezig gehouden, ’is het onmogelijk een test te ontwerpen die als “culture free” of tenminste als “culture fair” kan worden omschreven.’ Dat heeft de IQ-gemeente niet aan het denken gezet – integendeel, volkomen integendeel. Weer een andere deskundige, de Nieuw-Zeelandse geleerde James R. Flynn, heeft in 1987 een opzienbarende ontdekking gedaan. Hij bestudeerde de testresultaten van diverse bevolkingsgroepen uit de afgelopen zestig jaar en stelde vast dat die resultaten in alle landen waar we over betrouwbare gegevens beschikken, er op vooruit zijn gegaan, en wel met gemiddeld drie punten per tien jaar, en ergens tussen de vijf en de vijfentwintig punten per generatie. De verklaring voor dit zogenaamde ‘Flynn-effect’ heeft onder de geleerden veel getob en gepieker veroorzaakt. Vergroting van de herseninhoud? Toegenomen complexiteit van de beschaving? Langduriger schoolopleiding? Betere voeding? Intensiever mediagebruik? Medische vooruitgang? De kennelijk niet te stuiten groei van onze hersenprestaties is ook herleid tot een simpel feedbackmechanisme, althans, zulke geluiden waren geregeld te horen. Het was namelijk opgevallen dat de proefpersonen alleen al steeds slimmer worden omdat elke pientere twaalfjarige tegenwoordig vertrouwd is met de testroutines, zoals een gewiekste leerling een studie maakt van zijn leraar en precies weet aan welke tics en kuren de desbetreffende testautoriteit lijdt. Voor volwassenen is er een heel scala aan adequate gidsjes, cursussen en studiedagen beschikbaar, om zich te laten kneden tot een succesvol testresultaat. De simpelste verklaring heeft de wakkere ontdekker echter zelf geleverd: ‘IQ-tests meten de intelligentie niet’, zo stelt hij, ‘’de correlatie daarmee is zelfs vrij zwak. Dat is de hypothese die het best past bij de uitkomsten.’ Flynn was zeker niet de eerste die dat is opgevallen. Al in 1923 heeft Edwin G. Boring, een gerenommeerde Harvardpsycholoog, verklaard: ‘Intelligentie is dat, wat intelligentietests testen.’ Deze cirkelredenering zou elke voorvechter van het gebruik van dit soort tests somber moeten stemmen. Afgeschrikt heeft het nog niemand. Hoe dan ook, voor de wetenschap heeft het Flynn-effect ook een zoete verlokking in petto. Het Flynn-effect stemt namelijk op weldadige wijze overeen met een rotsvaste opvatting van de moderne tijd, een tijdvak dat zich aan alle voorgaande epochen, van steentijd tot middeleeuwen, superieur waande. Deze diep verankerde schaduwzijde, die samenhangt met een bepaalde opvatting over vooruitgang, gaat hand in hand met de overtuiging dat de tegenwoordige tijd het culminatiepunt vormt van de ontwikkeling van de mens tot nu toe. Impliciet of expliciet beschouwt de moderne tijd onze voorvaders als dommer dan zichzelf. Deze opvatting laat aan geborneerdheid niets te wensen over. Ze verraadt niet alleen een bewustzijn dat ineengeschrompeld is tot de tijdgenoten, maar ze is ook volkomen onzinnig vanuit het gezichtspunt van de evolutie. Het is immers geen geheim dat de wezenlijke grondslagen voor het overleven van de homo sapiens – van landbouw en veeteelt tot de wiskunde en het schrift – al duizenden jaren geleden gelegd zijn. Dat de lieden die dat alles niet willen inzien, in het Flynn-effect wel behagen moeten scheppen, is iets wat volkomen voor de hand ligt. Dat alle verheven gevoelens die daaraan ten grondslag liggen, geijkt zijn op de vooroordelen en beperkingen van degenen die ze hebben uitgevonden, schijnt de deskundigen nauwelijks te deren. Er zijn veel gronden om aan te nemen dat de conjunctuur van het meten van intelligentie het hoogtepunt voorbij is. Op zijn laatst, sinds het brandpunt van het debat is verschoven naar het hersenonderzoek en de cognitiewetenschap, maakt de experimentele psychologie een behoorlijk oudbakken indruk. Zoals altijd wanneer een nieuwe en overmoedige discipline het strijdperk betreedt en een lange neus trekt naar de voorlopers, mogen we hopen dat de vertegenwoordigers ervan ons zullen trakteren op nieuwe inzichten en nieuwe dwalingen. Daarbij komt nog dat de traditionele testpraktijk zich geconfronteerd ziet met een nieuwe uitdaging – en wel in de vorm van een overtreffende trap. Dat gebeurt op tamelijk banale wijze, doordat het monopolie op het denken, dat tot dusverre aan levende wezens was voorbehouden, doorbroken is. Waarom zouden die de enigen zijn die zich met het predikaat ‘intelligent’ mogen tooien? Dat vragen zich niet de productontwikkelaars af, maar ook hun hulpjes in de reclame-industrie. Er zijn immers computers die heel wat prestaties kunnen leveren en ook nog tal van andere interessante apparaten. Sinds deze verbreding van onze horizon zijn wij omgeven door intelligente auto’s, intelligente fornuizen, intelligente telefoons, intelligente huizen, intelligente wasmachines en intelligente keukenmachines. Het eerste programma voor nationaal veiligheidsonderzoek van de Duitse regering speelt zelfs de volgende troeven uit: ‘optisch intelligente hekwerken’ en ‘intelligente detectieplatforms’ om ons te beschermen tegen alle denkbare beproevingen. Nog veel ambitieuzer zijn de profeten van de kunstmatige intelligentie. Zij versmaden het om zich bezig te houden met onze geschiedenis sinds het pleistoceen en met ons onbevredigende heden. In plaats daarvan storten zij zich geheel op de toekomst. Hun innigste hoop en overtuiging is, dat de apparaten die we nu uitvinden onze hersenen op een goede dag helemaal zullen vervangen. Deze technische utopie is ontworpen in het jaar 1956 op een beroemde conferentie aan het Dartmouth College die gefinancierd werd door de Rockefeller Stichting. Een van de leidende geesten, John McCarthy, heeft ook het begrip Kunstmatige Intelligentie (AI, Artificial Intelligence) bedacht. Broeikas voor de adepten hiervan was het Massachussets Institute of Technology. Daar doceerden gezaghebbende figuren als Marvin Mirksy, voor wie het doel van de KI het overwinnen van de dood is. En Hans Moravec, die dweepte met een robot die alles wat in het menselijke geheugen opgeslagen ligt op een computer zou kunnen kopiëren, zodat onze sterfelijke biomassa overbodig zou kunnen worden. Zijn collega Ray Kurzwell verkondigde zonder enige gêne: ‘Wij verwerven de macht over leven en dood.’ In hun pioniersjaren beloofden deze mensen reeds voor het einde van het millennium machines die alle prestaties van onze hersenen grandioos zouden overtreffen. Dat liet de Defense Advanced Research Project Agency, een onderdeel van het Pentagon, zich geen twee keer zeggen – en investeerde miljarden in het veelbelovende project. De resultaten bleken tamelijk teleurstellend. De elektronische schildpadden, die na tientallen jaren van arbeid gereed kwamen, hadden grote moeite een trap te beklimmen. Daarop bleven de zo gul toegezegde gelden achterwege, en kwam het tot een klimaatverandering bij de sponsoren, de zogenaamde ‘AI winter’. Vandaag domineren minder ambitieuze geesten het toneel. Rondom die ‘krachtige AI’ is een diepe stilte ingevallen. Ze overleeft nog slechts in obscure sektes en in menige Hollywoodfilm. De ene teleurstelling na de andere, de ene tegenwerping na de andere, keer op keer twijfel en vijandigheid! Men zou vermoeden dat de omzet van de IQ-industrie daar een flinke tik van zou krijgen. Maar nee! De cultus die met de tests wordt bedreven toont geen dalende lijn. Alleen al in de Verenigde Staten moeten kinderen en volwassenen samen jaarlijks meer dan vijfhonderd miljoen van dit soort tests ondergaan. Er heeft zich een reusachtige markt ontwikkeld, waar de angst voor de domheid steeds grotere domheden voortbrengt. De website van Google geeft voor IQ inmiddels al 109 miljoen treffers en het is, al naar gelang de stemming, amusant of angstaanjagend om er een opsomming van te geven: Managers-IQ. Test en verhoog uw leiderschapsintelligentie. What’s your Jewish IQ? The Great Football IQ Quiz Book; Test Your Rock IQ; IQ test voor katten. Hoe intelligent is uw kat eigenlijk? Islamitische IQ Quiz; Train uw calorieën-IQ; Alien-IQ-Test; What’s your sexual IQ; Bible IQ; Carrière-IQ; Test en verhoog uw succesintelligentie; Baby-IQ. Voor het genie in het kind; Verhoog uw golf-IQ… en zo maar door en door en door tot je er wezenloos van wordt. Misschien is het allemaal niet zo erg als het eruitziet. De vermaaksindustrie kent legio andere producten waar hetzelfde over te zeggen zou zijn. Uiteindelijk verdienen ook de serieuze onderzoekers die het aan de stok hebben met onze intelligentie, een zekere welwillendheid. Weliswaar zegt de evangelist: ‘Met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zult gij gemeten worden. En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw eigen oog is, ziet gij niet.’ In ons geval is het echter niet duidelijk hoe een dergelijke fout te vermijden is. Want alleen wie zichzelf voor intelligent houdt, zal menen dat hij het recht heeft over de intelligentie van zijn medemensen te oordelen. Daarmee begeeft hij zich op meta-gebied en dat is helaas slechts het begin. Want hetzelfde geldt ook voor degene die oordeelt over de oordelaar; hij riskeert regressie naar het oneindige. Daarmee loopt hij, net als degene over wie hij oordeelt, het risico dat de recursieve val over hem dichtklapt. Alleen een zeker gebrek aan logische stringentie kan derhalve ook deze lezing voor dit lot behoeden. Dit alles betekent natuurlijk niet dat we in de toekomst moeten afzien van ons lichtvoetige alledaagse gebabbel. Geen theoretische frons in het voorhoofd, geen enkele wetenschappelijke scrupule, zal ons beletten onze medemensen, al naar gelang onze pet staat, uit te maken voor intelligent of dom. En zo dient zich aan het einde van onze kleine rondleiding door het doolhof der rede een simpel slot aan: Wij zijn gewoon niet intelligent genoeg om te weten wat intelligentie is. Alleen al daarom doet ook de dichter er goed aan zich maar liever bezig te houden met haar eeuwige wederhelft en een paar hymnische regelen te wijden aan de domheid:
Hemelse macht die zich verbergt in de plooien van de hersenstam bodemloze bruidsgift aan het menselijk geslacht in saecula saeculorum
ontelbaar als de melkweg ben je en veelsoortig als het gras.
Machtige tweelingzus van de intelligentie, handjes houdend voer je met haar een zwaarmoedige palaver.
Ja, het is kras, hoe jij ons inspireert in steeds nieuwe gedaanten, als vrouwelijke onnozelheid en als mannelijke idiotie,
hoe je uit de bloeddoorlopen ogen van de vechtersbaas straalt en rondtrappelt in aristocratisch kuchende eigendunk,
hoe je ons komt aangewaaid met de slechte adem van een aangeschoten muze en als veellettergrepig delireren in het seminar filosofie.
Wat zou de knapperd zijn zonder jou, aarts-, olie- en hondsdomme domheid, die vurig door zijn aderen vloeit als een overdosis amfetamine,
en de vorser zonder idee-fixe, dat hij door de witte gangen van zijn instituut najaagt als een rat in een doolhof!
Om van de wereldgeschiedenis nog maar te zwijgen, wie zou zij memoreren Tenzij de overwinnaars in hun napoleontische stompzinnigheid!
Zo zal de onnozele trots van de winnaar ons wel behouden blijven en de diepe verbittering van de verliezer, slechts hier en daar gezoet
door het verlichte geleuter van de sekteprediker, de komiek en de kwartaaldrinker. Domheid
vaak verguisde, jij die je in je sluwheid dommer voordoet dan je bent, beschermvrouw der gebrekkigen,
enkel de uitverkorenen laat je deel hebben aan je bijzonderste gave, de gebenedijde eenvoud van de eenvoudigen.
Zij zijn de onbeschreven bladzijden in jouw grote boek, Waarvan jij het zegel voor niemand van ons verbreekt.
[‘Hymne aan de domheid, vertaald door René Smeets, uit de tweetalig uitgegeven bundel Kiosk, Uitgeverij P. Leuven, 1999.]
[Vertaling lezing Roland Fagel, SLAU, met dank aan Alderik Visser]
< terug |